Helene Reid over ondertitelen en vertalen

door Bartho Kriek, 14-1-2002

Britse Nederlandse bij de NOS

Ik kom uit een half Britse familie. Mijn grootmoeder was Schotse en getrouwd met een Nederlander. De generatie van m’n vader telde ook weer één Engelsman en één Nederlander. En toen kwam ik, Nederlandse van geboorte. Engels was thuis geen vreemde taal, maar gewoon een tweede gebruikstaal. Ik ben in Nederland opgegroeid. Na m’n kandidaats Engels ben ik naar Engeland gegaan en daar in 1961 met een Engelsman getrouwd. Door dat huwelijk kreeg ik de Britse nationaliteit. Mijn kinderen zijn Brits. M’n dochter woont in Engeland en m’n twee zoons in Nederland, de traditie zet zich voort.

Toen ik in Nederland terugkwam zat ik in de kleine kinderen. Ik was niet afgestudeerd, dat deed je niet begin jaren ’60. Dus wat doe je dan? In afstuderen had ik geen zin meer. Voor het onderwijs was ik niet in de wieg gelegd. Ik had in Engeland al van het Nederlands naar het Engels vertaald, en vertalen had ik altijd al leuk gevonden. Dus ik ging vertalen, zo af en toe. Eind ’67 adverteerde de NOS voor het eerst voor ondertitelvertalers. Mijn eerste bezoek aan de NOS was in juni ’68. Ik had al meermalen gedacht: dat ondertitelen lijkt me nou leuk.

Het ondertitelvak werd voor zeg maar ‘68 eigenlijk beoefend door technici, operateurs en anderen die toevallig bij de tv rondliepen. Later kreeg je de instroom van mensen van het Instituut voor Vertaalkunde van de Universiteit van Amsterdam.

naar het Engels

Eerst vertaalde ik alleen naar het Nederlands. Een keer stond Wim Hohage, de chef, met de planners te praten en hoorde ik hem zeggen: hoe zit ’t met die film naar ’t Engels? De planner zei: iedereen zit vol. Ik durfde toen niet te zeggen: dat zou ik best ook kunnen. Thuis had ik het er toen over met m’n man, en die zei: wel doen. Van toen af vertaalde ik ook naar het Engels.

Een groot verschil tussen Nederlands-Engels ondertitelen en andersom is dat je bij Nederlands-Engels weet dat de kijker de brontaal niet kent. Dat heeft allerlei consequenties. Je kunt je bijvoorbeeld veel meer vrijheden veroorloven. De Bosbaan kan in het Engels rustig de ‘the famous Amsterdam rowing course’ worden. Bij Engels-Nederlands heb je altijd in je achterhoofd dat de kijker kan vergelijken, daarom is daar synchroniciteit ook een belangrijk criterium.

Wat bij naar het Engels ondertitelen veel voldoening geeft, is als je hoort dat dit of dat is aangekocht. Je helpt dan echt het programma de wereld in. Zo’n serie als Het pleidooi met Gijs Scholten van Aschat, dat was heel leuk om te doen. Die serie is de hele wereld over gegaan.

Shakespeare naar het Nederlands

Wat het Engels-Nederlands ondertitelen betreft waren de Shakespeare-ondertitelingen de grootste uitdagingen. Dat was iedereen z’n droom. Ik heb toen onder andere Othello gedaan. Het leuke was dat iedereen z’n eigen vertaalstrategie mocht volgen. De een helemaal rijmend, de ander helemaal metrisch. Mijn theorie bij Othello was toen: de mensen luisteren hier wel naar het Engels, dus je moet de allereenvoudigste vertaling eronder zetten. Dan houden ze zoveel mogelijk K over in hun hersenen voor het Engels. Daar werd heel hard om gelachen. Er hebben artikelen over in de krant gestaan. De afdeling had zoiets van: Helene met d’r Volksübersetzung. Het was natuurlijk gedurfd om dat prachtige Shakespeariaanse taalgebruik zo kaal en sec mogelijk te ondertitelen. Ik begrijp nu bijna niet dat dat toen mocht.

Helemaal in het begin deed ik heel weinig voor de NOS. Ik ben free-lancer gebleven tot 1982. Toen overleed mijn man. Groot huis, hoge hypotheek, drie kinderen. Ik had ontzettend geluk dat er toen net een vacature was, en zo kwam ik in vaste dienst. Dat was toen we net uit de Emmastraat vertrokken.

Instituut voor de Media

Ik had het geluk dat ik in het internationale circuit terechtkwam. Het Instituut voor de Media zocht iemand in Nederland om de contacten te onderhouden tussen de ondertitelwereld hier en het buitenland. Ik dacht: daar springt iedereen bovenop, maar nee hoor, geen mens voor te vinden. Ik ben toen een half jaar aan dat instituut uitgeleend, vertaalde in die periode heel weinig, maar zag ineens wat er in alle andere landen op het gebied van ondertiteling gebeurde.

Het Instituut voor de Media doet research voor de media, o.a. op het gebied van ondertiteling en nasynchronisatie. Het scala aan regels voor ondertitels, het inpunten en uitpunten, het beruchte uitroepteken, het centreren, noem maar op, dat alles wordt hier beleefd als een wet van Meden en Perzen, maar via mijn werk voor het Instituut ontdekte ik dat het ook op allerlei andere manieren kon, namelijk zoals het in andere landen gebeurde.

Zo vind ik het jammer dat dat uitpunten hier ingevoerd is. Een liggend streepje was beter geweest. Bij ons lopen gedachtepuntjes en gewoon uitpunten elkaar steeds in de weg. De psycholoog Ed Tan had een studie gemaakt van het lezen van teksten op tv. Hij kwam kijken bij het NOB. Toevallig hadden we net die middag werkoverleg, o.a. over of er na de dubbele punt een streepje moest komen of niet. Hij kreeg het woord en vertelde: wij hebben onderzoek gedaan naar de dubbele punt en de uitkomst was dat het zo’n summier tekentje is dat het amper door de kijker wordt gezien. Dat liggend streepje erachter is van essentieel belang. Zijn betoogje was goed onderbouwd. En wat gebeurt er? De vergadering wordt afgerond met het besluit: we doen dus géén liggend streepje. Ongelooflijk toch?

Een van de leukste dingen die ik voor het Instituut voor de Media heb gedaan was het schrijven van een handleiding voor programmamakers die weten dat hun productie ondertiteld gaat worden. Het was in drie delen: pre-production, production en post-production; waar ze in die fasen telkens aan moesten denken i.v.m. de ondertiteling. Ik ben er nog steeds trots op, het was een doorwrocht werkje. Helaas, het is daar in een la terecht gekomen, en omdat het in de dagen voor computers was, heb ik de tekst zelf ook niet meer. Ik ben nog eens helemaal naar Manchester gereisd om het te achterhalen, maar no luck. In geen enkel boek voor filmmakers wordt erop ingegaan.

M’n werk voor het instituut hielp me later een frisse kijk op het werk te houden. Ik ben nog steeds lid van ESIST (European Studies in Screen Translation). Leuke bijeenkomsten, eens in het jaar of eens in de twee jaar.

Film en tv heeft altijd erg mijn interesse gehad, anders kun je dit werk ook niet doen. Als kind wilde ik schrijfster worden of journaliste. Ik ben toen politicologie gaan doen, één jaar maar, maar dat gaf wel een lekkere brede kijk. Ik vind ondertiteling eigenlijk ook vaak een vorm van journalistiek.

In mijn tijd bij de NOS en later het NOB, van 1968 tot vorig jaar, heb ik 13 chefs meegemaakt. Hohage heeft er heel lang gezeten, van ’68 tot ’82. Hij heeft er nooit voor gekozen. Het was meer een kwestie van een groepje mensen dat bij elkaar zat en waarvan hij de enige was die opkeek toen van hogerhand gezegd werd: Een beetje afdeling heeft een afdelingshoofd. De afdeling leed niet echt onder het komen en gaan van chefs. We waren een hele hechte club mensen en ook erg zelfstandig. We konden best een tijdje zonder leiding.

gevolgen privatisering

Door de geleidelijke privatisering veranderden er twee dingen. Ten eerste ontstond er toen meer tijdsdruk, dus er moest sneller gewerkt worden. Ten tweede veranderde het gevoel van verantwoordelijkheid. Voor de privatisering had je heel sterk het gevoel dat je met de programmamaker samenwerkte aan de totstandkoming van het eindproduct. Doordat het een kwestie van betalen en leveren werd, verdween dat. Eerst werkten we niet met videobanden maar met 35 mm-film of 16 mm-film en geluidsband. Na half vijf ’s middags mocht er niets meer aangeleverd worden. M.a.w. de makers hadden dan alle tijd om langs te komen en de vertaling te bespreken. Nu er in een half uur best nog 5 minuten vertaald kan worden, is er nooit meer tijd voor programmamakers of vertalers om zaken uit te wisselen.

Dat de kwaliteit van de ondertiteling steeds minder telt, komt gedeeltelijk doordat de opdrachtgever niet dezelfde is als de gebruiker. Als ik een clavecimbel laat bouwen, ben ik opdrachtgever én gebruiker, maar het bedrijf dat jou ’n film laat vertalen is niet de kijker die thuis zit. De gebruiker, de kijker dus, komt in het hele stuk niet eens voor. Van de commerciële omroepbedrijven zou je eigenlijk verwachten dat ze betere ondertitels leveren dan de publieke omroepen, want daar zou immers de klant koning moeten zijn.

Subtext Translations

Ik heb nu m’n eigen bedrijf en dat heeft voordelen. Ben je bij een bedrijf in dienst dan moet je altijd doen wat je wordt opgedragen. Als je vrij was om te kiezen, zou je zeggen: dat moet ik helemaal niet doen, dat kan ik helemaal niet. Zo kreeg ik een keer een prachtig filmpje over wis- en natuurkunde. Geen woord van te begrijpen, maar ik moest het wel vertalen. Nu zeg ik: dat moet je maar aan een ander geven.

Dat m’n bedrijf Subtext Translations heet, komt zo: NOB-interimchef Ed van Leeuwen had een wedstrijd uitgeschreven. Er moest een nieuwe naam komen voor de afdeling. Ik bedacht deze naam, maar won die wedstrijd niet. M’n pensioen was nog lang niet in zicht, maar ik dacht toen bij mezelf: zodra ik met pensioen ben, gaat mijn bedrijf zo heten.

Ik wilde overigens nog niet met pensioen, ik had door willen gaan tot m’n drie-enzestigste, maar op je zestigste moet het min of meer, dus vorig jaar was mijn tijd gekomen. Vijf jaar voor ’t zover is stond er op een gegeven moment boven aan je loonstrookje zomaar opeens: ‘Pensioendatum 1 april 2000’.

Wat ik nu doe is af en toe een kinderboek vertalen voor Gottmer, ondertitelen naar het Engels, en boeken over muziek vertalen. Zoals mijn magnum opus Christoph Wolff, J. S. Bach, zijn leven, zijn werk, zijn genie, samen met vier anderen, hoor.

Doordat ik in mijn ondertiteltijd altijd in allerlei dingen ben gedoken naast het ondertitelen, heb ik nu deze leuke bezigheden die helemaal aansluiten bij mijn interesses. Ik ben geen haastbeest. Subtext is puur voor m’n plezier werken. Ik zou niet moeten denken aan een oude dag zonder werk. Het is niet zo dat ik me gedwongen voel om te werken. Als ik ’s morgens wakker word, denk ik: wat zou nou ’s leuk zijn om vandaag te gaan doen? Nou, eerst twee uurtjes verder aan die jeugdboek-vertaling en dan een filmpje ondertitelen.

bij of voor een bedrijf

Bij een bedrijf werken is heel iets anders dan voor een bedrijf werken. De mens is geneigd tot loyaliteit. Bij de meeste bedrijven kom ik zelden tot nooit over de vloer. Ik heb daar geen moeite mee, maar er ontstaat geen binding. Als een bedrijf af en toe een borrel geeft, vind ik dat heel schattig. Ik zou daar theoretisch wel eens heen kunnen.

dingen ernaast

Opvallend is dat maar heel weinig mensen vanuit de ondertitelwereld een andere weg inslaan. Als je er eenmaal zit, kom je er dus moeilijk meer uit. En een carrière heb je niet, je werk blijft hetzelfde. Dingen ernaast doen is de oplossing.

specialisten

Het bijzondere van de NOS/het NOB was die enorme pool van kennis en know-how, die nu helaas lijkt te verdwijnen.

Ik weet veel af van klassieke muziek, laat ik dat maar gewoon zeggen. Dat soort echte deskundigheid zie je bij de bedrijven verdwijnen. Veel opgespaarde know-how wordt genegeerd. Religie en militaire aangelegenheden zijn ook van die ondergeschoven kindjes geworden. Als je een enkele maal gepolst wordt, heb je iets van: moet je nagaan wat ze allemaal níet vragen, maar er gewoon maar wat onder zetten. Daar gruw ik van.

Als ik iets niet weet, weet ik hoe ik erachter moet komen. Ik kreeg een keer een vraag over een programma over Mozart. Dirigent Norrington stond voor een Duits orkest maar sprak Engels, en hij gebruikte het woord ‘kyle’: ‘You think it’s a dot, but it’s a kyle.’ Bleek het na veel gebel een Duits woord te zijn, ‘Keil’, dat alleen Duitse musici kennen als het teken voor martellato. Daar komt ’n niet-gespecialiseerde ondertitelaar nooit achter.

Als je me nou vraagt wat ik nog graag zou willen doen, dan zou ik zeggen: dat de bedrijven me bijvoorbeeld als gespecialiseerde eindredacteur voor serieuze klassieke muziek vragen. Per e-mail kunnen ze binnen een uur over de correcte informatie beschikken.

Ik ben vertaler/ondertitelaar in hart en nieren. Ik wou altijd al iets doen wat je niet alleen ‘deed’ maar ook ‘was’. Een echte vertaler heeft 24 uur per dag zijn taaloren op. Er hoort ook bij dat je jezelf als professional beschouwt en profileert, dat je dus lid wordt van een beroepsvereniging als het Genootschap Voor Vertalers of een bond. Uitdieping van het vak en de dingen eromheen zijn ook belangrijk. Zo’n vergadering van FNV-Kiem op de 22e, daar ga ik wel naar toe.

ondertitelen is een soort tolken

Hier op de talenafdeling van de Hogeschool heb ik vorig jaar een blokje colleges gegeven over ondertiteling, met huiswerk en al. Maar ik blijf dat niet doen, want het voorbereiden daarvan is ontzettend veel werk. Wat beginners of leerlingen betreft lijkt het me leuk om te kijken wat er gebeurt als je ze een artikel geeft en zegt, herschrijf het maar en zorg dat elke zin wordt teruggebracht tot 2/3 van z’n oorspronkelijke lengte. Daar gaat het om. Ze moeten eerst kunnen goochelen met de doeltaal. Ik zeg ook wel eens: ondertitelen kun je beschouwen als een soort tolken.

voldoening

Iets wat me voldoening geeft is het volgende. Mijn schoonzoon heeft bij de BBC gewerkt. Voor hij mij kende, produceerde hij altijd met voice over. Tegenwoordig, bij Channel 4 Film, werkt hij, o.a. door mij, alleen nog maar met ondertiteling. Maar internationaal is dat trouwens toch een trend, er wordt overal steeds meer ondertiteld.

bibliografie Helene Reid

home broadcasttext amsterdam